aansteken

Definition from Wiktionary, a free dictionary

Jump to: navigation, search

Contents

[edit] Dutch

[edit] Pronunciation

[edit] Verb

aansteken

  1. To light.
  2. To infect.

[edit] Conjugation

Infinitive: aansteken
Present tense Past tense
ik steek aan wij steken aan singular stak aan
jij steekt aan jullie steken aan plural staken aan
hij/zij steekt aan zij steken aan
Present participle Imperative Auxiliary Past participle
aanstekend steek aan hebben aangestoken
Personal tools