afdammen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

afdammen (past singular damde af, past participle afgedamd)

  1. to dam
    • 1959, Peter Drabbe, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (Netherlands), Kaẹti en Wambon, page 67:
      Komt hier, roepen ze, komt het water afdammen.

Conjugation[edit]