bonken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bonken (past singular bonkte, past participle gebonkt)

  1. (tegen) to bang (against), to smash (against)
    Ze bonkte als een zak aardappelen tegen het been van de reus -- She banged against the giant's leg like a sack of potatos (from de Grote Vriendelijk Reus).

Conjugation[edit]