aanwinnen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Hyphenation: aan‧win‧nen

Etymology[edit]

From aan- +‎ winnen

Verb[edit]

aanwinnen ‎(past singular won aan, past participle aangewonnen)

  1. to reclaim land (from sea)

Conjugation[edit]

Inflection of aanwinnen (strong class 3, separable)
infinitive aanwinnen
past singular won aan
past participle aangewonnen
infinitive aanwinnen
gerund aanwinnen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular win aan won aan aanwin aanwon
2nd person sing. (jij) wint aan won aan aanwint aanwon
2nd person sing. (u) wint aan won aan aanwint aanwon
2nd person sing. (gij) wint aan wont aan aanwint aanwont
3rd person singular wint aan won aan aanwint aanwon
plural winnen aan wonnen aan aanwinnen aanwonnen
subjunctive sing.1 winne aan wonne aan aanwinne aanwonne
subjunctive plur.1 winnen aan wonnen aan aanwinnen aanwonnen
imperative sing. win aan
imperative plur.1 wint aan
participles aanwinnend aangewonnen
1) Archaic.

Anagrams[edit]