berekenen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

be- + rekenen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

berekenen ‎(past singular berekende, past participle berekend)

  1. to computefigure, calculate

Conjugation[edit]

Inflection of berekenen (weak, prefixed)
infinitive berekenen
past singular berekende
past participle berekend
infinitive berekenen
gerund berekenen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bereken berekende
2nd person sing. (jij) berekent berekende
2nd person sing. (u) berekent berekende
2nd person sing. (gij) berekent berekende
3rd person singular berekent berekende
plural berekenen berekenden
subjunctive sing.1 berekene berekende
subjunctive plur.1 berekenen berekenden
imperative sing. bereken
imperative plur.1 berekent
participles berekenend berekend
1) Archaic.

Derived terms[edit]