bezichtigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From be- +‎ zicht +‎ -ig.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bezichtigen (past singular bezichtigde, past participle bezichtigd)

  1. (formal) to behold
  2. (formal) to visit
    De steen van Rosette kan worden bezichtigd in het British Museum in Londen, waar hij al sinds 1802 wordt bewaard.
    The Rosetta stone can be visited at the British Museum in London, where it has been kept ever since 1802.

Conjugation[edit]

Inflection of bezichtigen (weak, prefixed)
infinitive bezichtigen
past singular bezichtigde
past participle bezichtigd
infinitive bezichtigen
gerund bezichtigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bezichtig bezichtigde
2nd person sing. (jij) bezichtigt bezichtigde
2nd person sing. (u) bezichtigt bezichtigde
2nd person sing. (gij) bezichtigt bezichtigde
3rd person singular bezichtigt bezichtigde
plural bezichtigen bezichtigden
subjunctive sing.1 bezichtige bezichtigde
subjunctive plur.1 bezichtigen bezichtigden
imperative sing. bezichtig
imperative plur.1 bezichtigt
participles bezichtigend bezichtigd
1) Archaic.

Synonyms[edit]


German[edit]

Verb[edit]

bezichtigen (third-person singular simple present bezichtigt, past tense bezichtigte, past participle bezichtigt, auxiliary haben)

  1. (transitive) to accuse

Conjugation[edit]

This verb needs an inflection-table template.

External links[edit]