bijeenhouden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From bijeen (together) +‎ houden (to hold).

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bijeenhouden (past singular hield bijeen, past participle bijeengehouden)

  1. to hold together

Conjugation[edit]

Inflection of bijeenhouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive bijeenhouden
past singular hield bijeen
past participle bijeengehouden
infinitive bijeenhouden
gerund bijeenhouden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou bijeen, houd bijeen hield bijeen bijeenhou, bijeenhoud bijeenhield
2nd person sing. (jij) houdt bijeen hield bijeen bijeenhoudt bijeenhield
2nd person sing. (u) houdt bijeen hield bijeen bijeenhoudt bijeenhield
2nd person sing. (gij) houdt bijeen hieldt bijeen bijeenhoudt bijeenhieldt
3rd person singular houdt bijeen hield bijeen bijeenhoudt bijeenhield
plural houden bijeen hielden bijeen bijeenhouden bijeenhielden
subjunctive sing.1 houde bijeen hielde bijeen bijeenhoude bijeenhielde
subjunctive plur.1 houden bijeen hielden bijeen bijeenhouden bijeenhielden
imperative sing. hou bijeen, houd bijeen
imperative plur.1 houdt bijeen
participles bijeenhoudend bijeengehouden
1) Archaic.

Anagrams[edit]