bruikbaar

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

bruiken ‎(to make use of) +‎ -baar ‎(-able)

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

bruikbaar ‎(comparative bruikbaarder, superlative bruikbaarst)

  1. usable, neither unfit nor broken
  2. useful, which has a good use

Declension[edit]

Inflection of bruikbaar
uninflected bruikbaar
inflected bruikbare
comparative bruikbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial bruikbaar bruikbaarder het bruikbaarst
het bruikbaarste
indefinite m./f. sing. bruikbare bruikbaardere bruikbaarste
n. sing. bruikbaar bruikbaarder bruikbaarste
plural bruikbare bruikbaardere bruikbaarste
definite bruikbare bruikbaardere bruikbaarste
partitive bruikbaars bruikbaarders

Synonyms[edit]

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]