buitelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

Unknown.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈbœy̯tələ(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: bui‧te‧len

Verb[edit]

buitelen

  1. (intransitive) to tumble, to roll, to somersault

Inflection[edit]

Inflection of buitelen (weak)
infinitive buitelen
past singular buitelde
past participle gebuiteld
infinitive buitelen
gerund buitelen n
present tense past tense
1st person singular buitel buitelde
2nd person sing. (jij) buitelt buitelde
2nd person sing. (u) buitelt buitelde
2nd person sing. (gij) buitelt buitelde
3rd person singular buitelt buitelde
plural buitelen buitelden
subjunctive sing.1 buitele buitelde
subjunctive plur.1 buitelen buitelden
imperative sing. buitel
imperative plur.1 buitelt
participles buitelend gebuiteld
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]