dankbaar

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

danken ‎(to thank) +‎ -baar ‎(-able)

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

dankbaar ‎(comparative dankbaarder, superlative dankbaarst)

  1. thankful, grateful
  2. (figuratively) gratifying, rewarding

Declension[edit]

Inflection of dankbaar
uninflected dankbaar
inflected dankbare
comparative dankbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial dankbaar dankbaarder het dankbaarst
het dankbaarste
indefinite m./f. sing. dankbare dankbaardere dankbaarste
n. sing. dankbaar dankbaarder dankbaarste
plural dankbare dankbaardere dankbaarste
definite dankbare dankbaardere dankbaarste
partitive dankbaars dankbaarders

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]