doorgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From door +‎ gaan.

Verb[edit]

doorgaan

  1. (intransitive) to go through (with), to proceed, to continue

Inflection[edit]

Inflection of doorgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive doorgaan
past singular ging door
past participle doorgegaan
infinitive doorgaan
gerund doorgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga door ging door doorga doorging
2nd person sing. (jij) gaat door ging door doorgaat doorging
2nd person sing. (u) gaat door ging door doorgaat doorging
2nd person sing. (gij) gaat door gingt door doorgaat doorgingt
3rd person singular gaat door ging door doorgaat doorging
plural gaan door gingen door doorgaan doorgingen
subjunctive sing.1 ga door ginge door doorga doorginge
subjunctive plur.1 gaan door gingen door doorgaan doorgingen
imperative sing. ga door
imperative plur.1 gaat door
participles doorgaand doorgegaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]