goedkoop

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch goetcoop, goeden coop (literally good buy; good purchase). Compare Middle Low German gūtkōp, West Frisian goedkeap, Middle English good chepe. More at cheap.

Adjective[edit]

goedkoop (comparative goedkoper, superlative goedkoopst)

  1. cheap, inexpensive, affordable
  2. cheap (of inferior quality or being uncharitable)

Inflection[edit]

Inflection of goedkoop
uninflected goedkoop
inflected goedkope
comparative goedkoper
positive comparative superlative
predicative/adverbial goedkoop goedkoper het goedkoopst
het goedkoopste
indefinite m./f. sing. goedkope goedkopere goedkoopste
n. sing. goedkoop goedkoper goedkoopste
plural goedkope goedkopere goedkoopste
definite goedkope goedkopere goedkoopste
partitive goedkoops goedkopers