interageren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

interageren

  1. to interact

Inflection[edit]

Inflection of interageren (weak)
infinitive interageren
past singular interageerde
past participle geïnterageerd
infinitive interageren
gerund interageren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular interageer interageerde
2nd person sing. (jij) interageert interageerde
2nd person sing. (u) interageert interageerde
2nd person sing. (gij) interageert interageerde
3rd person singular interageert interageerde
plural interageren interageerden
subjunctive sing.1 interagere interageerde
subjunctive plur.1 interageren interageerden
imperative sing. interageer
imperative plur.1 interageert
participles interagerend geïnterageerd
1) Archaic.