lijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch liden, from Old Dutch līthan, from Proto-Germanic *līþaną. Sense developed from 'go, travel' to 'endure', then to 'suffer'.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

lijden ‎(past singular leed, past participle geleden)

  1. to undergo
  2. to suffer

Conjugation[edit]

Inflection of lijden (strong class 1)
infinitive lijden
past singular leed
past participle geleden
infinitive lijden
gerund lijden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular lijd leed
2nd person sing. (jij) lijdt leed
2nd person sing. (u) lijdt leed
2nd person sing. (gij) lijdt leedt
3rd person singular lijdt leed
plural lijden leden
subjunctive sing.1 lijde lede
subjunctive plur.1 lijden leden
imperative sing. lijd
imperative plur.1 lijdt
participles lijdend geleden
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]