neersteken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From neer +‎ steken

Verb[edit]

neersteken

  1. to stab (in order to injure or kill)

Inflection[edit]

Inflection of neersteken (strong class 4, separable)
infinitive neersteken
past singular stak neer
past participle neergestoken
infinitive neersteken
gerund neersteken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular steek neer stak neer neersteek neerstak
2nd person sing. (jij) steekt neer stak neer neersteekt neerstak
2nd person sing. (u) steekt neer stak neer neersteekt neerstak
2nd person sing. (gij) steekt neer staakt neer neersteekt neerstaakt
3rd person singular steekt neer stak neer neersteekt neerstak
plural steken neer staken neer neersteken neerstaken
subjunctive sing.1 steke neer stake neer neersteke neerstake
subjunctive plur.1 steken neer staken neer neersteken neerstaken
imperative sing. steek neer
imperative plur.1 steekt neer
participles neerstekend neergestoken
1) Archaic.

Anagrams[edit]