opbellen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opbellen ‎(past singular belde op, past participle opgebeld)

  1. to call (up) (to contact by telephone)

Conjugation[edit]

Inflection of opbellen (weak, separable)
infinitive opbellen
past singular belde op
past participle opgebeld
infinitive opbellen
gerund opbellen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular bel op belde op opbel opbelde
2nd person sing. (jij) belt op belde op opbelt opbelde
2nd person sing. (u) belt op belde op opbelt opbelde
2nd person sing. (gij) belt op belde op opbelt opbelde
3rd person singular belt op belde op opbelt opbelde
plural bellen op belden op opbellen opbelden
subjunctive sing.1 belle op belde op opbelle opbelde
subjunctive plur.1 bellen op belden op opbellen opbelden
imperative sing. bel op
imperative plur.1 belt op
participles opbellend opgebeld
1) Archaic.

Anagrams[edit]