opleiden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opleiden

  1. to lead up
  2. to bring up, educate
  3. to coach, train

Inflection[edit]

Inflection of opleiden (weak, separable)
infinitive opleiden
past singular leidde op
past participle opgeleid
infinitive opleiden
gerund opleiden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular leid op leidde op opleid opleidde
2nd person sing. (jij) leidt op leidde op opleidt opleidde
2nd person sing. (u) leidt op leidde op opleidt opleidde
2nd person sing. (gij) leidt op leidde op opleidt opleidde
3rd person singular leidt op leidde op opleidt opleidde
plural leiden op leidden op opleiden opleidden
subjunctive sing.1 leide op leidde op opleide opleidde
subjunctive plur.1 leiden op leidden op opleiden opleidden
imperative sing. leid op
imperative plur.1 leidt op
participles opleidend opgeleid
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]