overtuigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

PIE root
*dewk-
EB1911 - Volume 01 - Page 001 - 1.svg This entry lacks etymological information. If you are familiar with the origin of this term, please add it to the page per etymology instructions.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

overtuigen ‎(past singular overtuigde, past participle overtuigd)

  1. To convince
  2. To persuade

Conjugation[edit]

Inflection of overtuigen (weak, prefixed)
infinitive overtuigen
past singular overtuigde
past participle overtuigd
infinitive overtuigen
gerund overtuigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular overtuig overtuigde
2nd person sing. (jij) overtuigt overtuigde
2nd person sing. (u) overtuigt overtuigde
2nd person sing. (gij) overtuigt overtuigde
3rd person singular overtuigt overtuigde
plural overtuigen overtuigden
subjunctive sing.1 overtuige overtuigde
subjunctive plur.1 overtuigen overtuigden
imperative sing. overtuig
imperative plur.1 overtuigt
participles overtuigend overtuigd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]