schrijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch schriden, from Old Dutch *skrīthan, from Proto-Germanic *skrīþaną.

Verb[edit]

schrijden

  1. to stride

Inflection[edit]

Inflection of schrijden (strong class 1)
infinitive schrijden
past singular schreed
past participle geschreden
infinitive schrijden
gerund schrijden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schrijd schreed
2nd person sing. (jij) schrijdt schreed
2nd person sing. (u) schrijdt schreed
2nd person sing. (gij) schrijdt schreedt
3rd person singular schrijdt schreed
plural schrijden schreden
subjunctive sing.1 schrijde schrede
subjunctive plur.1 schrijden schreden
imperative sing. schrijd
imperative plur.1 schrijdt
participles schrijdend geschreden
1) Archaic.

Derived terms[edit]