schrikken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

schrikken (past singular schrok, past participle geschrokken)

  1. to be scared
    Niet schrikken! — Don't fear!
  2. to experience a sudden change, to shock (said of non-sentient objects)
    Laat na het koken de eieren onder de koude stromende kraan schrikken.
    Run the eggs in cold running tap water after cooking them.

Conjugation[edit]

Inflection of schrikken (strong class 3)
infinitive schrikken
past singular schrok
past participle geschrokken
infinitive schrikken
gerund schrikken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schrik schrok
2nd person sing. (jij) schrikt schrok
2nd person sing. (u) schrikt schrok
2nd person sing. (gij) schrikt schrokt
3rd person singular schrikt schrok
plural schrikken schrokken
subjunctive sing.1 schrikke schrokke
subjunctive plur.1 schrikken schrokken
imperative sing. schrik
imperative plur.1 schrikt
participles schrikkend geschrokken
1) Archaic.

Derived terms[edit]

See also[edit]

Noun[edit]

schrikken

  1. Plural form of schrik