schrinken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch *schrinken, from Old Dutch *scrinkan, from Proto-Germanic *skrinkwaną. It is now rare; modern use may have been reinforced by English shrink.

Verb[edit]

schrinken

  1. (uncommon, dated) to shrink
    • 1828, Het Eerste Bedrijf. Julius. Burgerhart., in Dichterlijke werken van J. van den Vondel, page 37:
      Om, veilìgh in zijn ampt, te schroomen noch te schrinken.
    • 1909, Albert Verwey, Van het levensfeest door, in De Beweging, volume 4:
      Droevige sintels schronken.
      Sad sparks shrank.
    • 2003, [1]:
      Het optimisme begon aardig te schrinken.
      Their optimism began to shrink considerably.
    • 2009, [2]:
      Ik moet wat voorzichtig omspringen met mijn schijfruimte, dus hierbij een geschronken versie van het origineel.
      I need to be a bit cautious with my hard drive space, so here [is] a shrunken version of the original.

Inflection[edit]

Inflection of schrinken (strong class 3)
infinitive schrinken
past singular schronk
past participle geschronken
infinitive schrinken
gerund schrinken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schrink schronk
2nd person sing. (jij) schrinkt schronk
2nd person sing. (u) schrinkt schronk
2nd person sing. (gij) schrinkt schronkt
3rd person singular schrinkt schronk
plural schrinken schronken
subjunctive sing.1 schrinke schronke
subjunctive plur.1 schrinken schronken
imperative sing. schrink
imperative plur.1 schrinkt
participles schrinkend geschronken
1) Archaic.

Synonyms[edit]