spelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: spellen

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *spilon, from Proto-Germanic *spilōną.

Verb[edit]

spelen ‎(past singular speelde, past participle gespeeld)

  1. (transitive or intransitive) To play (a game).
    Wat wil je spelen? — What do you wish to play?
  2. To play (a musical instrument).

Conjugation[edit]

Inflection of spelen (weak)
infinitive spelen
past singular speelde
past participle gespeeld
infinitive spelen
gerund spelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular speel speelde
2nd person sing. (jij) speelt speelde
2nd person sing. (u) speelt speelde
2nd person sing. (gij) speelt speelde
3rd person singular speelt speelde
plural spelen speelden
subjunctive sing.1 spele speelde
subjunctive plur.1 spelen speelden
imperative sing. speel
imperative plur.1 speelt
participles spelend gespeeld
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

Noun[edit]

spelen

  1. Plural form of spel ‎(tournament)

See also[edit]

Anagrams[edit]


Swedish[edit]

Noun[edit]

spelen

  1. definite plural of spel