uitblinken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ blinken

Verb[edit]

uitblinken

  1. to excel, to shine

Inflection[edit]

Inflection of uitblinken (strong class 3, separable)
infinitive uitblinken
past singular blonk uit
past participle uitgeblonken
infinitive uitblinken
gerund uitblinken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular blink uit blonk uit uitblink uitblonk
2nd person sing. (jij) blinkt uit blonk uit uitblinkt uitblonk
2nd person sing. (u) blinkt uit blonk uit uitblinkt uitblonk
2nd person sing. (gij) blinkt uit blonkt uit uitblinkt uitblonkt
3rd person singular blinkt uit blonk uit uitblinkt uitblonk
plural blinken uit blonken uit uitblinken uitblonken
subjunctive sing.1 blinke uit blonke uit uitblinke uitblonke
subjunctive plur.1 blinken uit blonken uit uitblinken uitblonken
imperative sing. blink uit
imperative plur.1 blinkt uit
participles uitblinkend uitgeblonken
1) Archaic.

Anagrams[edit]