uithuwelijken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Alternative forms[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From uit +‎ huwelijk +‎ -en

Verb[edit]

uithuwelijken

  1. to marry, give away as husband or wife

Inflection[edit]

Inflection of uithuwelijken (weak, separable)
infinitive uithuwelijken
past singular huwelijkte uit
past participle uitgehuwelijkt
infinitive uithuwelijken
gerund uithuwelijken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular huwelijk uit huwelijkte uit uithuwelijk uithuwelijkte
2nd person sing. (jij) huwelijkt uit huwelijkte uit uithuwelijkt uithuwelijkte
2nd person sing. (u) huwelijkt uit huwelijkte uit uithuwelijkt uithuwelijkte
2nd person sing. (gij) huwelijkt uit huwelijkte uit uithuwelijkt uithuwelijkte
3rd person singular huwelijkt uit huwelijkte uit uithuwelijkt uithuwelijkte
plural huwelijken uit huwelijkten uit uithuwelijken uithuwelijkten
subjunctive sing.1 huwelijke uit huwelijkte uit uithuwelijke uithuwelijkte
subjunctive plur.1 huwelijken uit huwelijkten uit uithuwelijken uithuwelijkten
imperative sing. huwelijk uit
imperative plur.1 huwelijkt uit
participles uithuwelijkend uitgehuwelijkt
1) Archaic.

Anagrams[edit]