uitnodigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Hyphenation: uit‧no‧di‧gen

Etymology[edit]

uit- +‎ nodigen

Verb[edit]

uitnodigen

  1. To invite.

Inflection[edit]

Inflection of uitnodigen (weak, separable)
infinitive uitnodigen
past singular nodigde uit
past participle uitgenodigd
infinitive uitnodigen
gerund uitnodigen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular nodig uit nodigde uit uitnodig uitnodigde
2nd person sing. (jij) nodigt uit nodigde uit uitnodigt uitnodigde
2nd person sing. (u) nodigt uit nodigde uit uitnodigt uitnodigde
2nd person sing. (gij) nodigt uit nodigde uit uitnodigt uitnodigde
3rd person singular nodigt uit nodigde uit uitnodigt uitnodigde
plural nodigen uit nodigden uit uitnodigen uitnodigden
subjunctive sing.1 nodige uit nodigde uit uitnodige uitnodigde
subjunctive plur.1 nodigen uit nodigden uit uitnodigen uitnodigden
imperative sing. nodig uit
imperative plur.1 nodigt uit
participles uitnodigend uitgenodigd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]