uitschelden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitschelden ‎(past singular schold uit, past participle uitgescholden)

  1. to use offensive language to someone; to insult, revile, abuse, scold, ... someone

Conjugation[edit]

Inflection of uitschelden (strong class 3, separable)
infinitive uitschelden
past singular schold uit
past participle uitgescholden
infinitive uitschelden
gerund uitschelden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular scheld uit schold uit uitscheld uitschold
2nd person sing. (jij) scheldt uit schold uit uitscheldt uitschold
2nd person sing. (u) scheldt uit schold uit uitscheldt uitschold
2nd person sing. (gij) scheldt uit scholdt uit uitscheldt uitscholdt
3rd person singular scheldt uit schold uit uitscheldt uitschold
plural schelden uit scholden uit uitschelden uitscholden
subjunctive sing.1 schelde uit scholde uit uitschelde uitscholde
subjunctive plur.1 schelden uit scholden uit uitschelden uitscholden
imperative sing. scheld uit
imperative plur.1 scheldt uit
participles uitscheldend uitgescholden
1) Archaic.

Anagrams[edit]