vibreren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

vibreren (past singular vibreerde, past participle gevibreerd)

  1. to vibrate, trill

Conjugation[edit]

Inflection of vibreren (weak)
infinitive vibreren
past singular vibreerde
past participle gevibreerd
infinitive vibreren
gerund vibreren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vibreer vibreerde
2nd person sing. (jij) vibreert vibreerde
2nd person sing. (u) vibreert vibreerde
2nd person sing. (gij) vibreert vibreerde
3rd person singular vibreert vibreerde
plural vibreren vibreerden
subjunctive sing.1 vibrere vibreerde
subjunctive plur.1 vibreren vibreerden
imperative sing. vibreer
imperative plur.1 vibreert
participles vibrerend gevibreerd
1) Archaic.