vliegen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch vliegen, from Old Dutch fliogan, from Proto-Germanic *fleuganą, from Proto-Indo-European *plewk-.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

vliegen

  1. to fly
  2. to soar

Inflection[edit]

Inflection of vliegen (strong class 2)
infinitive vliegen
past singular vloog
past participle gevlogen
infinitive vliegen
gerund vliegen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vlieg vloog
2nd person sing. (jij) vliegt vloog
2nd person sing. (u) vliegt vloog
2nd person sing. (gij) vliegt vloogt
3rd person singular vliegt vloog
plural vliegen vlogen
subjunctive sing.1 vliege vloge
subjunctive plur.1 vliegen vlogen
imperative sing. vlieg
imperative plur.1 vliegt
participles vliegend gevlogen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Noun[edit]

vliegen

  1. Plural form of vlieg

Middle Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch fliogan, from Proto-Germanic *fleuganą.

Verb[edit]

vliegen

  1. to fly
  2. to soar
  3. to move quickly

Inflection[edit]

Strong class 2
Infinitive vliegen
3rd sg. past vlôoch
3rd pl. past vlōgen
Past participle gevlōgen
Infinitive vliegen
In genitive vliegens
In dative vliegene
Indicative Present Past
1st singular vliege vlôoch
2nd singular vliechs, vlieges vlōochs, vlōges
3rd singular vliecht, vlieget vlôoch
1st plural vliegen vlōgen
2nd plural vliecht, vlieget vlōocht, vlōget
3rd plural vliegen vlōgen
Subjunctive Present Past
1st singular vliege vlōge
2nd singular vliechs, vlieges vlōges
3rd singular vliege vlōge
1st plural vliegen vlōgen
2nd plural vliecht, vlieget vlōget
3rd plural vliegen vlōgen
Imperative Present
Singular vliech, vliege
Plural vliecht, vlieget
Present Past
Participle vliegende gevlōgen

Descendants[edit]

Further reading[edit]

  • vlieghen (II)”, in Vroegmiddelnederlands Woordenboek, 2000
  • vliegen (I)”, in Middelnederlandsch Woordenboek, 1929