voortgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

voort +‎ gaan

Verb[edit]

voortgaan

  1. to go forth, to progress
  2. to continue

Inflection[edit]

Inflection of voortgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive voortgaan
past singular ging voort
past participle voortgegaan
infinitive voortgaan
gerund voortgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga voort ging voort voortga voortging
2nd person sing. (jij) gaat voort ging voort voortgaat voortging
2nd person sing. (u) gaat voort ging voort voortgaat voortging
2nd person sing. (gij) gaat voort gingt voort voortgaat voortgingt
3rd person singular gaat voort ging voort voortgaat voortging
plural gaan voort gingen voort voortgaan voortgingen
subjunctive sing.1 ga voort ginge voort voortga voortginge
subjunctive plur.1 gaan voort gingen voort voortgaan voortgingen
imperative sing. ga voort
imperative plur.1 gaat voort
participles voortgaand voortgegaan
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]