Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search



From Middle Dutch vrien, from Old Dutch *frīon, from Proto-Germanic *frijōną ‎(to love).



vrijen ‎(past singular vree or vrijde, past participle gevreeën or gevrijd)

  1. (intransitive) To make love, to have sex, to get laid.
    Het is heel belangrijk om veilig te vrijen.
    It’s very important to have safe sex.
    • 2008, Bram Bakker, “Weg met Dr. Atkins”, in: De dwarse psychiater, Uitgeverij Maarten Muntinga, Amsterdam, ISBN 978 90 417 07468
      En partners krijgen niet de echte reden te horen waarom er zo weinig gevreeën wordt.
      And partners don’t get to hear the real reason why not much is happening in bed.
  2. (intransitive) To make out, to cuddle, to hug and kiss.
    Zij vroeg haar vriendje om eerst gewoon te vrijen.
    She asked her boyfriend to just kiss and hug first.
  3. (intransitive) To have a relationship, to be a couple, to go out with someone.
    Zij heeft haar vriend Alex leren kennen op internet en ze vrijen al meer dan een jaar nu.
    She met her boyfriend Alex on the Internet and now they’ve been going out together for more than a year already.

Usage notes[edit]

The ambiguity between the first two senses often leads to confusion, which can lead the hearer to ask for clarification which sense is meant, but it also conveys exactly that the distinction might not be clear.


Inflection of vrijen (strong class 1)
infinitive vrijen
past singular vree
past participle gevreeën
infinitive vrijen
gerund vrijen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vrij vree
2nd person sing. (jij) vrijt vree
2nd person sing. (u) vrijt vree
2nd person sing. (gij) vrijt vreet
3rd person singular vrijt vree
plural vrijen vreeën
subjunctive sing.1 vrije vreeë
subjunctive plur.1 vrijen vreeën
imperative sing. vrij
imperative plur.1 vrijt
participles vrijend gevreeën
1) Archaic.
Inflection of vrijen (weak)
infinitive vrijen
past singular vrijde
past participle gevrijd
infinitive vrijen
gerund vrijen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vrij vrijde
2nd person sing. (jij) vrijt vrijde
2nd person sing. (u) vrijt vrijde
2nd person sing. (gij) vrijt vrijde
3rd person singular vrijt vrijde
plural vrijen vrijden
subjunctive sing.1 vrije vrijde
subjunctive plur.1 vrijen vrijden
imperative sing. vrij
imperative plur.1 vrijt
participles vrijend gevrijd
1) Archaic.


Derived terms[edit]


  • vrijen” in Woordenlijst Nederlandse Taal – Officiële Spelling, Nederlandse Taalunie. [the official spelling word list for the Dutch language]