vrijspreken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From vrij + spreken.

Verb[edit]

vrijspreken

  1. to absolve, acquit

Inflection[edit]

Inflection of vrijspreken (strong class 4, separable)
infinitive vrijspreken
past singular sprak vrij
past participle vrijgesproken
infinitive vrijspreken
gerund vrijspreken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular spreek vrij sprak vrij vrijspreek vrijsprak
2nd person sing. (jij) spreekt vrij sprak vrij vrijspreekt vrijsprak
2nd person sing. (u) spreekt vrij sprak vrij vrijspreekt vrijsprak
2nd person sing. (gij) spreekt vrij spraakt vrij vrijspreekt vrijspraakt
3rd person singular spreekt vrij sprak vrij vrijspreekt vrijsprak
plural spreken vrij spraken vrij vrijspreken vrijspraken
subjunctive sing.1 spreke vrij sprake vrij vrijspreke vrijsprake
subjunctive plur.1 spreken vrij spraken vrij vrijspreken vrijspraken
imperative sing. spreek vrij
imperative plur.1 spreekt vrij
participles vrijsprekend vrijgesproken
1) Archaic.

Anagrams[edit]