waarschuwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

waarschuwen (past singular waarschuwde, past participle gewaarschuwd)

  1. to warn, let someone know, notify

Conjugation[edit]

Inflection of waarschuwen (weak)
infinitive waarschuwen
past singular waarschuwde
past participle gewaarschuwd
infinitive waarschuwen
gerund waarschuwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular waarschuw waarschuwde
2nd person sing. (jij) waarschuwt waarschuwde
2nd person sing. (u) waarschuwt waarschuwde
2nd person sing. (gij) waarschuwt waarschuwde
3rd person singular waarschuwt waarschuwde
plural waarschuwen waarschuwden
subjunctive sing.1 waarschuwe waarschuwde
subjunctive plur.1 waarschuwen waarschuwden
imperative sing. waarschuw
imperative plur.1 waarschuwt
participles waarschuwend gewaarschuwd
1) Archaic.