wijzen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch wisen, from Old Dutch wīsen, from Proto-Germanic *wīsijaną.

Verb[edit]

wijzen ‎(past singular wees, past participle gewezen)

  1. (intransitive) to point
    Niet wijzen naar anderen, dat is onbeleefd!
    Don't point at others, that's rude!
    De pijl wijst in de richting van de dichtstbijzijnde nooduitgang.
    The arrow points in the direction of the nearest emergency exit.
  2. (transitive) to point out, indicate
    De klok wijst twaalf uur.
    The clock indicates twelve o'clock.
    De leraar wees de leerlingen op hun fouten.
    The teacher pointed out their mistakes to the students.
    • NRC Handelsblad, 12/15/2008
      Rudd wees er gisteren op dat Australië „de grootste vervuiler per hoofd van de bevolking [is] in de geïndustrialiseerde wereld”.
      Rudd indicated yesterday that Australia is "the biggest polluter per capita in the industrialized world."
    • NRC Handelsblad, 12/15/2008
      Milieugroepen hebben zware kritiek op het klimaatplan. Ze wijzen erop dat Australië 85 procent van de elektriciteitsopwekking haalt uit kolencentrales, die weinig milieuvriendelijk zijn.
      Environmental groups have placed heavy criticism upon the climate plan. They point out that Australia gets 85 percent of its electricity generation out of coal plants, which are little environment-friendly.
  3. (transitive) to direct to (by extension, to send to)
    Kunt u mij de toiletten wijzen alstublieft?
    Could you direct me to the toilets please?
    De onderhandelingen waren op niets uitgelopen, en de diplomaten werden de deur gewezen.
    The negotiations had not resulted in any gains, and the diplomats were directed to the door. (i.e. they were sent away/dismissed)
Conjugation[edit]
Inflection of wijzen (strong class 1)
infinitive wijzen
past singular wees
past participle gewezen
infinitive wijzen
gerund wijzen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular wijs wees
2nd person sing. (jij) wijst wees
2nd person sing. (u) wijst wees
2nd person sing. (gij) wijst weest
3rd person singular wijst wees
plural wijzen wezen
subjunctive sing.1 wijze weze
subjunctive plur.1 wijzen wezen
imperative sing. wijs
imperative plur.1 wijst
participles wijzend gewezen
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

wijzen

  1. Plural form of wijs

Noun[edit]

wijzen

  1. Plural form of wijze