zijgen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch sigen (to drop down, to slump), from Old Dutch sīgan, from Proto-Germanic *sīganą.

Verb[edit]

zijgen (past singular zeeg, past participle gezegen)

  1. (intransitive) to slump, to fall down, to drop
Conjugation[edit]
Inflection of zijgen (strong class 1)
infinitive zijgen
past singular zeeg
past participle gezegen
infinitive zijgen
gerund zijgen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular zijg zeeg
2nd person sing. (jij) zijgt zeeg
2nd person sing. (u) zijgt zeeg
2nd person sing. (gij) zijgt zeegt
3rd person singular zijgt zeeg
plural zijgen zegen
subjunctive sing.1 zijge zege
subjunctive plur.1 zijgen zegen
imperative sing. zijg
imperative plur.1 zijgt
participles zijgend gezegen
1) Archaic.

Etymology 2[edit]

From Middle Dutch sien (to filter, to seep), from Old Dutch *sīan, from Proto-Germanic *sīhwaną.

Verb[edit]

zijgen (past singular zeeg, past participle gezegen)

  1. (transitive) to filter
Conjugation[edit]
Inflection of zijgen (strong class 1)
infinitive zijgen
past singular zeeg
past participle gezegen
infinitive zijgen
gerund zijgen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular zijg zeeg
2nd person sing. (jij) zijgt zeeg
2nd person sing. (u) zijgt zeeg
2nd person sing. (gij) zijgt zeegt
3rd person singular zijgt zeeg
plural zijgen zegen
subjunctive sing.1 zijge zege
subjunctive plur.1 zijgen zegen
imperative sing. zijg
imperative plur.1 zijgt
participles zijgend gezegen
1) Archaic.