zuigeling

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

16th century. From zuigen +‎ -e- +‎ -ling, calque of German Säugling.

Noun[edit]

zuigeling m (plural zuigelingen, diminutive zuigelingetje n)

  1. suckling, infant which isn't weaned yet
    • Year unknown (but attested as early as 1887), traditional, "Aan de oever van de Rotte".
      Aan de oever van de Rotte, / Tussen Delft en Overschie, / Zat een kikvors luid te wenen, / Met een zuig'ling op haar knie.

Synonyms[edit]