zwaaien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

zwaaien

  1. to sway, to wave
  2. to brandish

Inflection[edit]

Inflection of zwaaien (weak)
infinitive zwaaien
past singular zwaaide
past participle gezwaaid
infinitive zwaaien
gerund zwaaien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular zwaai zwaaide
2nd person sing. (jij) zwaait zwaaide
2nd person sing. (u) zwaait zwaaide
2nd person sing. (gij) zwaait zwaaide
3rd person singular zwaait zwaaide
plural zwaaien zwaaiden
subjunctive sing.1 zwaaie zwaaide
subjunctive plur.1 zwaaien zwaaiden
imperative sing. zwaai
imperative plur.1 zwaait
participles zwaaiend gezwaaid
1) Archaic.