kampioenschap

From Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch

[edit]

Etymology

[edit]

From kampioen +‎ -schap. First attested in the 19th century.

Pronunciation

[edit]
  • IPA(key): /kɑm.piˈjuns.xɑp/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: kam‧pi‧oen‧schap

Noun

[edit]

kampioenschap n (plural kampioenschappen, diminutive kampioenschapje n)

  1. championship (competition to determine the champion)
    Het nationale voetbalkampioenschap wordt elk jaar gehouden.
    The national football championship is held every year.
    Het zwemteam won het regionale kampioenschap met overtuiging.
    The swim team won the regional championship convincingly.
  2. championship (status or position as champion)
    Na het winnen van het toernooi kreeg hij het kampioenschap en de gouden medaille.
    After winning the tournament, he received the championship and the gold medal.
    Hij geniet van zijn verdiende kampioenschap en is trots op zijn prestatie.
    He is enjoying his well-deserved championship and is proud of his achievement.