afspraak

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From afspreken

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈɑfˌspraːk/
  • (file)
  • Hyphenation: af‧spraak

Noun[edit]

afspraak m, f (plural afspraken, diminutive afspraakje n)

  1. appointment, date
    Zij heeft een afspraak om tien uur. — She's got an appointment at ten o'clock.
  2. arrangement, agreement, understanding
    Niet volgens de afspraak. — Not in accordance with the agreement.