merkbaar

From Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From merken (to notice) +‎ -baar

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈmɛrk.baːr/
  • (file)
  • Hyphenation: merk‧baar

Adjective[edit]

merkbaar (comparative merkbaarder, superlative merkbaarst)

  1. noticeable (capable of being noticed)
    Antonym: onmerkbaar
    Die kleine verandering heeft toch een merkbaar verschil gemaakt.
    That small change did make a noticeable difference after all.

Inflection[edit]

Inflection of merkbaar
uninflected merkbaar
inflected merkbare
comparative merkbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial merkbaar merkbaarder het merkbaarst
het merkbaarste
indefinite m./f. sing. merkbare merkbaardere merkbaarste
n. sing. merkbaar merkbaarder merkbaarste
plural merkbare merkbaardere merkbaarste
definite merkbare merkbaardere merkbaarste
partitive merkbaars merkbaarders

Derived terms[edit]