jatmoos

From Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch

[edit]

Etymology

[edit]

Borrowed from Yiddish יד מעות (yad mo('e)s). The sense “thief” is a much later development from jatmozen (to engage in petty theft).

Pronunciation

[edit]
  • IPA(key): /ˈjɑt.moːs/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: jat‧moos

Noun

[edit]

jatmoos m or n (plural jatmozen, diminutive jatmoosje n)

  1. (uncountable, Bargoens, slang) the first cash a merchant receives on a day
    • 1903, Bernard Canter, Kalverstraat, Vennootschap ‘Letteren en Kunst’, 16.
      ‘Dag Dóvid. Heb je al handgift?’
      ‘Natuurlijk heb ik al jatmoos. In zoo'n zaak zal men geen jatmoos hebben.’
      (please add an English translation of this quotation)
    • 1925, Israël Querido, "Mooie Karel", in De Jordaan. Amsterdamsch epos, part 4, Scheltens & Giltay (6th ed., first ed. 1924), 278.
      Soms dagen geen jatmoos, al sting je verguld achter je stal.
      (please add an English translation of this quotation)
    • 1939, Willem van Iependaal, De dans om de rinkelbom, Arbo, 276.
      Een kamerplantje van vijf en tachtig centen wist Gerrit aan haar te slijten, en stak de ‘jatmoos’ in z'n vestzak of het een reliquie betrof...
      (please add an English translation of this quotation)
  2. (countable, slang) thief

Synonyms

[edit]

(first money received):