eenvoudig

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

een (one) +‎ -voudig (fold)

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

eenvoudig (comparative eenvoudiger, superlative eenvoudigst)

  1. simple, plain

Declension[edit]

Inflection of eenvoudig
uninflected eenvoudig
inflected eenvoudige
comparative eenvoudiger
positive comparative superlative
predicative/adverbial eenvoudig eenvoudiger het eenvoudigst
het eenvoudigste
indefinite m./f. sing. eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
n. sing. eenvoudig eenvoudiger eenvoudigste
plural eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
definite eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
partitive eenvoudigs eenvoudigers

Synonyms[edit]

Derived terms[edit]