aan het

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Alternative forms[edit]

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /aːnət/, /aːnt/

Particle[edit]

aan het

  1. Forms the continuous aspect, together with the infinitive and with zijn as auxiliary verb.
    Ik ben aan het eten.
    I am eating.
    Ik was aan het eten.
    I was eating.
    Hij is aan het lezen.
    He is reading.
    Wat ben je aan het doen?
    What are you doing?
    Ik ben de afwas aan het doen.
    I am doing the dishes.