aanstekend

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Participle[edit]

aanstekend

  1. present participle of aansteken

Declension[edit]

Inflection of aanstekend
uninflected aanstekend
inflected aanstekende
comparative
positive
predicative/adverbial aanstekend
aanstekende
indefinite m./f. sing. aanstekende
n. sing. aanstekend
plural aanstekende
definite aanstekende
partitive aanstekends