magisch

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From magie (magic) +‎ -isch (-al).

Adjective[edit]

magisch (comparative magischer, superlative meest magisch or magischt)

  1. magical, controlled or determined by supernatural magic (not illusionism)
    Deze redenering is een voorbeeld van het magisch denken dat in deze cultuur alomtegenwoordig is
    This reasoning is an example of the magic thinking that pervades this culture.
  2. (figuratively) enchanting, spell-bound etc.
    Zijn fluitspel had een magische uitwerking op het publiek.
    His flute playing worked like magic on his audience.

Declension[edit]


German[edit]

Etymology[edit]

From Magie (magic) +‎ -isch (-ish).

Adjective[edit]

magisch (comparative magischer, superlative am magischsten)

  1. magical

Declension[edit]

External links[edit]