waaien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *wāian, from Proto-Germanic *wēaną, from Proto-Indo-European *h₂wḗh₁-. Compare German wehen.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

waaien (past singular waaide or woei, past participle gewaaid)

  1. (of the wind) to blow
    De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is.[1] (Johannes 3:8, NBV)
    The wind blows where it wants; you hear its sound, but you don't know where it comes from and where it goes to. So it is with everyone that is born out of the Spirit.
  2. (of the weather) to be windy
    Het waaide heel hard.
    It was very windy.

Conjugation[edit]

Derived terms[edit]