leefbaar

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

leef +‎ -baar

Adjective[edit]

leefbaar ‎(comparative leefbaarder, superlative leefbaarst)

  1. livable

Inflection[edit]

Inflection of leefbaar
uninflected leefbaar
inflected leefbare
comparative leefbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial leefbaar leefbaarder het leefbaarst
het leefbaarste
indefinite m./f. sing. leefbare leefbaardere leefbaarste
n. sing. leefbaar leefbaarder leefbaarste
plural leefbare leefbaardere leefbaarste
definite leefbare leefbaardere leefbaarste
partitive leefbaars leefbaarders