ongehoord

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

on- (un-) +‎ gehoord (heard)

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

ongehoord (comparative ongehoorder, superlative ongehoordst)

  1. (literally) unheard-of
  2. shameful, reprehensible
  3. terrible, excessive

Declension[edit]

Inflection of ongehoord
uninflected ongehoord
inflected ongehoorde
comparative ongehoorder
positive comparative superlative
predicative/adverbial ongehoord ongehoorder het ongehoordst
het ongehoordste
indefinite m./f. sing. ongehoorde ongehoordere ongehoordste
n. sing. ongehoord ongehoorder ongehoordste
plural ongehoorde ongehoordere ongehoordste
definite ongehoorde ongehoordere ongehoordste
partitive ongehoords ongehoorders