uitgescheden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈœy̯txəˌsxeːdə(n)/
  • (file)

Participle[edit]

uitgescheden

  1. past participle of uitscheiden

Declension[edit]

Inflection of uitgescheden
uninflected uitgescheden
inflected uitgescheden
comparative
positive
predicative/adverbial uitgescheden
indefinite m./f. sing. uitgescheden
n. sing. uitgescheden
plural uitgescheden
definite uitgescheden
partitive uitgeschedens