opschieten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

op +‎ schieten

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opschieten (past singular schoot op, past participle opgeschoten)

  1. to hasten, hurry
  2. to make progress, make headway
  3. (with met) to get along
    Schiet het op met zijn vriendinnetje?: How is he getting along with his girlfriend?

Conjugation[edit]

Inflection of opschieten (strong class 2, separable)
infinitive opschieten
past singular schoot op
past participle opgeschoten
infinitive opschieten
gerund opschieten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schiet op schoot op opschiet opschoot
2nd person sing. (jij) schiet op schoot op opschiet opschoot
2nd person sing. (u) schiet op schoot op opschiet opschoot
2nd person sing. (gij) schiet op schoot op opschiet opschoot
3rd person singular schiet op schoot op opschiet opschoot
plural schieten op schoten op opschieten opschoten
subjunctive sing.1 schiete op schote op opschiete opschote
subjunctive plur.1 schieten op schoten op opschieten opschoten
imperative sing. schiet op
imperative plur.1 schiet op
participles opschietend opgeschoten
1) Archaic.

Anagrams[edit]