uitpuilen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Verb[edit]

uitpuilen (past singular puilde uit, past participle uitgepuild)

  1. to pooch out
    Alle kikkers hebben een afgeplat, peervormig lichaam en uitpuilende ogen. — All frogs have flattened, pear-shaped bodies, and eyes that bulge out.

Conjugation[edit]